Het buurmeisje was een slanke twintiger met grote borsten en een voorliefde voor aanhangwagens van het merk Hapert. Yves was gek van haar ogen, maar hield dat voor zichzelf.
Op een zekere maandagmorgen in een niet zo ver verleden ging Yves de krant kopen. Op de weg terug stak hij zijn sleutel in het slot van de buren. Hij was zo verdiept in een artikel over de comeback van Verhofstadt dat hij niet doorhad dat hij in de verkeerde deur stond te peuteren. Net wanneer hij vol goesting aan de derde paragraaf begon - de liberale lijsttrekker voor de Europese verkiezingen wond hem ontzettend op – werd de deur van binnenuit geopend. De ogen van Heidi trokken zijn blik aan als een magneet ijzervijlsel. Yves wist niet wat te zeggen. Heidi wel. ‘Weledele buurman, wat brengt u aan mijn deur?’
Yves voelde het bloed naar zijn wangen stijgen, vreesde dat zijn pupillen zijn hele oog zouden vullen en stamelde dat hij zich van deur had vergist. Heidi kon ermee lachen. Ze vroeg hem zelfs om binnen te komen. ‘Het is bizar, we wonen nu al drie jaar naast elkaar en we hebben elkaars appartement nog nooit gezien!’ Yves knikte en zweette. Het voelde alsof zijn oksels watervallen waren geworden.
Heidi deed de deur dicht achter Yves en leidde hem naar het salon. ‘Wil je misschien iets drinken?’ Een kopje thee zag hij wel zitten. ‘Dat doet me plezier,’ zei ze, ‘normaal moet ik altijd koffie maken wanneer er bezoek is. Nu kunnen we gezellig een kannetje thee delen. Wil je rozenbottel of munt?’ Lang moest Yves niet twijfelen. Rozenbottel smaakt veel te zoet, een echte wijvendrank. Een echte man drinkt munt.
Na enkele minuten verliet Heidi de keuken met een dienblad waarop een kannetje thee, twee lege kopjes en een doos koeken zachtjes klingelden. Yves vroeg waar haar vader was. ‘Die werkt,’ zei ze. Dat stelde hem gerust. Hij vreesde ervoor dat die kerel ineens zou binnenkomen, hem hier zou zien bij zijn dochter en meteen het ergste zou denken. Nu ja, hij heeft gelijk, dacht Yves, ik denk aan het ergste. Daar zou elke man in deze situatie aan denken.
Yves vroeg of ze soms een kurkentrekker had. ‘Waarom,’ wilde Heidi weten, ‘heb je misschien zin in een flesje wijn?’ Yves was in de war. Hij had die kurkentrekker nodig om een twijgje uit zijn schoenzool te krijgen, niet om een fles wijn te openen. Maar nu ze het toch had gevraagd, wilde hij wel een wijntje. Hij zei dat hij bij de ochtendthee altijd wijn drinkt, en dat hij het altijd al absurd had gevonden om ’s avonds te zuipen. Dan voel je het amper. Overdag heb je na twee glazen genoeg, maar van zodra het donker wordt heb je het gevoel dat je wel een hele fles op kan. Duur is het, en slecht voor de gezondheid. Je slaapt er ook slechter van. Neen, ’s morgens twee glazen wijn, na het middagmaal rustig indommelen en tegen de avond ben je weer klaar om erin te vliegen. Dan kan je tv kijken tot vér na middernacht.
Heidi bekeek hem argwanend. ‘Hoe verklaar je dan dat ik je altijd PMD-zakken vol bierblikjes zie buitenzetten?’ Ja lap, dacht Yves. Betrapt. Maar begaafd als hij was in het fabuleren, verzon hij terstond een verklaring. Hij zei dat zijn vrouw een alcoholica was. Ze leek het te geloven. In haar blik meende hij zelfs empathie te ontdekken. Even dacht hij dat ze hem ging omhelzen. Maar ze stond op, ging naar de keuken en kwam terug met een geopende fles wijn en twee glazen. Yves vulde ze met vaste hand en dronk. Zijn voorbeeld werd gevolgd.
Gedurende enkele minuten zwegen ze. Het was geen ongemakkelijke stilte, eerder een stilzwijgende overeenstemming. Maar Yves begon zich te vervelen. Zwijgend in de zetel wijn zitten drinken kon hij thuis ook. Daar kon de televisie bovendien aan. Hij had nog enkele afleveringen van Jes op zijn Digicorder. Niet veel soeps, maar beter dan kooptelevisie of het beursnieuws op Kanaal Z.
Yves zette zijn glas op tafel en legde zijn hoofd in zijn handen. Hij wilde dat het leek alsof hij elk moment in tranen kon uitbarsten. Heidi legde haar rechterhand op zijn knie en ging met het linker door zijn haar. ‘Alles ok?’ Yves keek op en schreeuwde luidkeels dat alles ‘BUENO VISTA SOCIAL CLUB’ was. Heidi schrok en deinsde terug. ‘Zeg kerel,’ riep ze, ‘zijde gij gek geworden of zo?’ en joeg hem het appartement uit.
Toen hij weer op de gang stond, besefte hij dat zijn krant nog bij haar lag. Heidi schoof ze onder de deur voor hij kon aankloppen. Yves nam zijn krant, ging zijn appartement binnen, liet zich vallen in de zetel en huilde.
‘Waarom ben ik toch zo volstrekt waanzinnig!’