Yves stond op en had geen zin om te gaan werken. Dat kwam goed uit, want Yves had geen werk. Hij ging dan maar naar de badkamer, nam een douche, en stapte naakt en nat naar de keuken. Na het ontbijt keek hij uit zijn raam naar de voorbijrijdende auto’s, een oma in een elektrische driewieler en een kat die de overkant niet haalde. Hij glimlachte en stak een sigaar op.
Toen belde Anton, die zijn hulp nodig had. ‘Yves, ik moet een trouw fotograferen en mijn Canon 550D heeft zojuist de geest gegeven, en-ie is verdorie nog maar een week oud. Wat een rommel gooien die Japanners toch op de markt dezer dagen. Had jij geen degelijke Duits fotoapparaat? Ik kan het binnen een halfuur komen ophalen, en dan rijd ik meteen door naar Gingelom, waar de huwelijkspartij plaatsheeft.’
Yves had inderdaad nog een Leica liggen, een metalen ding dat zijn grootvader hem had nagelaten. In zijn testament stond dat het voor Yves bedoeld was, omdat hij de enige was in wie hij enig fotografisch talent zag. Grootvader vergiste zich wel vaker. Hij had al zijn geld op de beurs verloren en pleegde zelfmoord met een briefopener.
‘Anton, geen probleem! Het is wel zo’n exemplaar met een vaste lens, waarmee je niet kan zoomen.’
Anton vond het best en hij vertrok onmiddellijk. Yves ging naar zijn slaapkamer en nam een schoendoos die onderin zijn kast stof had liggen vergaren. Daarin zat zijn grootvaders Leica, een knap apparaat zo op het eerste gezicht. Geen plastiek, geen megapixels, geen klein schermpje dat in het zonlicht onleesbaar wordt. Hij stak er een nieuw rolletje in en deed wat kleren aan. In zijn tuin maakte hij foto’s van de heg, van zijn konijn, van de zon die door de takken scheen, en hij droomde van een bestaan als fotograaf. Het leek hem wel wat, het land verkennen en overal beelden schieten. Mensen irriteren. Politici laten poseren en op de verkeerde momenten afdrukken, zodat ze er als de lelijke menshatende maffioso uitzien die ze zijn.
En dan zag hij zichzelf een modeshow verslaan. Foto’s van knikkende knieën, kleren die op scène openscheuren, homo’s die gesticuleren en hun hoofd in hun handen verbergen omdat alles onherroepelijk misgaat. En daaronder commentaar van de fotograaf. Droog, feitelijk.
Maar toen belde Anton aan. Yves gaf hem de Leica. Hij benijdde hem omdat hij betaald werd om zoiets simpels te doen als foto’s nemen — als kind nam Yves veel foto’s, maar daarna verloor hij zijn interesse in andere mensen, en natuurfotografie was iets voor nerds.
Een dag later belde hij naar Anton om te vragen hoe het ging, maar zijn vriendin nam op, huilend en kwaad. ‘Anton amuseerde zich zo met jouw Leica, met dat stom ding, dat hij na het huwelijk de stad is ingetrokken en zoals de Amerikaanse straatfotografen een dronkaard probeerde te fotograferen. Maar hij kwam niet thuis met zwart-witte foto’s van een dronkaard, hij kwam thuis met een hersenschudding! Altijd, al-tijd wanneer hij van bij jou komt, loopt het fout af. Je bent een loser, Yves, blijf weg van mijn man.’
Yves was zo gelukkig dat hij een sigaar opstak.